Op dit forum werd ooit gediscusieerd over de rechtsgeldigheid van de BOB op de E34/E313.
Ik ben zo vrij geweest om eens navraag te doen bij het Kabinet van Minister Crevits. Het heeft erg lang geduurd, maar zonet kreeg ik -na lang aandringen- volgende reactie binnen:
Et voilà:
Geachte heer Covens,
In opvolging van onze eerdere reactie op uw mailbericht aan Vlaams minister Hilde Crevits, waarbij u argumentatie opbouwt volgens dewelke de Bijzondere Overrijdbare Bedding (BOB) op de E313 op een aantal punten niet zou voldoen aan de vereisten van het huidige Verkeersreglement, kan ik u na overleg met de bevoegde raadgever inmiddels het volgende meedelen.
Vooreerst onze welgemeende verontschuldigingen voor de lange wachttijd.
Een aantal door u aangehaalde punten worden volgens u strikt genomen niet voorzien door het Verkeersreglement omdat een BOB niet tot de rijbaan behoort.
Betreffende de dikte van de wegmarkering bepaalt artikel 14.6 van het M.B. van 11 oktober 1976 dat de breedte ongeveer 20 cm bedraagt; een afwijking is dus toegestaan.
Betreffende de vermelding dat voertuigen voor schoolvervoer toegelaten zijn op de BOB : het klopt dat de verkeerswetgeving deze uitzondering vooralsnog enkel voorziet voor busbanen en niet voor BOB’s. In het ontwerp van nieuw verkeersreglement, welke een federale materie is, zal dit evenwel worden voorzien. In afwachting van deze aanpassing, wordt opdracht geven aan de bevoegde provinciale wegenafdeling om het gele symbooltje van de borden te verwijderen.
Betreffende het ontbreken van het bord F18 na de oprit Wommelgem : aan de bevoegde provinciale wegenafdeling werd gevraagd dit na te kijken en desgevallend hieraan te verhelpen.
Betreffende de snelheidsbeperkingen door middel van een verbodsbord C43 boven de BOB : strikt genomen bepaalt het verkeersreglement inderdaad in artikel 68.1 dat de verbodsborden rechts worden geplaatst en wanneer de plaatsgesteldheid het niet toelaat, ze boven de rijbaan mogen worden geplaatst. De BOB behoort inderdaad niet tot de rijbaan. In afwachting van een wijziging van het verkeersreglement, wat zoals hierboven gesteld een federale bevoegdheid is, dient de wegbeheerder vaak snel en accuraat in te spelen op actuele noden om de verkeersdoorstroming te verbeteren. Concreet dient hij dan af te wegen of, in het licht van zijn verplichting te voorzien in een veilige weginfrastructuur, het niet plaatsen van dergelijke signalisatie (zoals in dit specifieke geval) niet tot een groter gevaar zou leiden dan het wel plaatsen. Te meer daar de boodschap op deze borden door de gebruiker van de BOB en de andere weggebruikers perfect begrijpelijk is. In dit geval wordt het instellen van een snelheidsbeperking op de BOB verantwoord vanuit de noodzaak om de rijsnelheid, zowel in absolute waarde als ten opzichte van het ernaast rijdende verkeer, te beperken. Vanuit eenzelfde bezorgdheid is het plaatsen van het bord F91 verantwoord om de bestuurders te wijzen op de bijzondere wegsituatie ter plaatse. Men zou overigens kunnen opmerken dat het verkeersreglement strikt genomen niet verbiedt dat een verbodsbord boven een weggedeelte wordt geplaatst die niet tot de rijbaan behoort, zoals de BOB. Alleen stellen er zich problemen naar het juridisch bindend karakter ervan. Aangezien de bepaling van artikel 68.1 dateert van de periode toen er nog geen BOB’s bestonden, zou men, rekening houdend met de wil van de wetgever, kunnen argumenteren dat, naar analogie deze borden vandaag boven een BOB mogen geplaatst worden. Strikt genomen is hier echter inderdaad een formele wijziging van het verkeersreglement aangewezen.
In het nieuw voorstel van verkeersreglement is alvast het volgende bepaald bij het verkeersbord F91 : verkeersbord dat een gevaar aanduidt of een verkeersregel voorschrijft die slechts van toepassing is op een deel van de openbare weg of één of meer rijstroken van een rijbaan die meerdere rijstroken in dezelfde richting omvat. Deze notie wordt dus ruimer dan rijbaan of rijstrook.
Besluit : vanuit een strikte juridische orthodoxie is het verantwoord dat het Verkeersreglement op de door u aangehaalde punten wordt verfijnd. Deze elementen werden dan ook doorgegeven aan de federale overheid in het licht van een aanpassing van het Verkeersreglement. In afwachting hiervan kan de wegbeheerder evenwel niet verzaken aan zijn plicht om te voorzien in een vlotte doorstroming en een veilige weginfrastructuur en dient hij hierbij te roeien met de riemen die hij heeft. Dit wil zeggen, dat hij de hiervoor meest geschikte signalisatie moet plaatsen die misschien niet letterlijk, maar dan toch zeker op basis van de bedoeling van de wetgever voldoet aan de plaatsingsvoorwaarden.
Wij hopen u met deze toelichting en verantwoording van dienst te zijn geweest.
Met vriendelijke groeten,